Plasmascherm
Een plasmascherm wordt gebruikt voor het weergeven van bewegende en vaste beelden. Het weergeven van beelden geschiedt bij een plasmascherm door middel van een paar honderdduizend minuscule lichtgevende beeldpunten of pixels (= picture elements). Dit garandeert een hoge resolutie of het vermogen om veel details weer te geven.
Techniek
Een plasmascherm werkt volgens het principe van gasontladingslampen zoals de tl-buis. In een afgesloten ruimte zorgt een elektrische spanning tussen twee electrodes ervoor dat een gas, in plasmaschermen meestal bestaand uit xenon en neon, geïoniseerd wordt. Het geïoniseerde gas, een zogeheten plasma, zendt UV-fotonen uit. Deze UV-fotonen of UV-licht exiteert de fosfor oppervlaktelaag en deze geven het licht. De werking van elk van de honderduizenden cellen is dus vergelijkbaar met een tl-buislamp.
In het plasmascherm worden honderdduizenden kleine cellen (pixels) gepositioneerd tussen twee glasplaten. Voor en achter de honderdduizenden cellen, worden lange evenwijdig lopende draden, de electrodes, horizontaal boven de glasplaat en verticaal onder de glasplaat aangebracht. De adreselectrodes bevinden zich achter de cellen en de glasplaat. De transparante displayelectodes, welke geïsoleerd zijn en bedekt met een magnesiumdioxide beschermende laag worden geplaatst voor de cel bij de frontale glasplaat. Een electronisch circuit plaatst een spanningsverschil op één onderliggende horizontale draad (de kathode of negatieve pool) en één bovenliggende verticale draad in de tweede laag (de anode of positieve pool). Hierdoor gaat het gas in de cel ioniseren en vormt het een plasma. Wanneer de gasionen op de electrodes botsen word UV-fotonen uitgezonden. Dit UV-licht exiteert de fosfor-coating en deze geven het licht. Dat beeldpunt ontstaat dus op het kruispunt van de twee loodrechte draden. Per beeldpunt moet je dan, om een kleurenscherm te krijgen, nog eens de drie basiskleuren (RGB, rood, groen, blauw) aansturen. Iedere pixel bestaat uit drie afzonderlijke subpixel cellen, elk met een andere kleur van fosfor. De eerste subpixel bevat een rode lichtgevende fosfor, de tweede subpixel bevat een groene lichtgevende fosfor, de derde subpixel bevat een blauwe lichtgevende fosfor. De drie kleuren smelten tesamen en vormen de mengkleur van de pixel, in analogie met de drie kleuren van een CRT scherm. Door de stroompulsen duizenden keren per seconde te variëren kan men de intensitiet van iedere kleurschakering nabootsen.
Een helder beeld onstaat door de juiste aansturing van de kruispunten. Doordat een beeldpunt al gauw een afmeting heeft, worden plasmaschermen meestal alleen als grote schermen gemaakt. Plasmaschermen worden daardoor niet vaak gebruikt als computerscherm.
Kenmerken
Een plasmascherm is zeer ondiep (een tiental cm) ten opzichte van een conventionele beeldbuis, zodat het als een schilderij aan de muur kan worden bevestigd. De beeldoppervlakte kan veel groter worden gemaakt, en beelddiagonalen van meer dan een meter zijn gangbaar.
Een plasmascherm kan vanuit alle hoeken optimaal worden bekeken. Het genereren van beelden gebeurt geheel anders dan bij een gewone beeldbuis. Afzonderlijke beelden volgen elkaar bij een plasmascherm veel sneller op, wat resulteert in een rustig beeld voor het oog. Plasmaschermen kunnen met een televisietuner en luidsprekers worden uitgerust en worden voorzien van in- en uitgangen voor beeld en geluid. Een computer aangesloten op een plasmascherm geeft een mooi strak groot beeld. Dit biedt meteen perspectief aan een scala van andere toepassingen; zoals strakke weergave van digitale foto's of als informatiescherm in openbare ruimtes.
Tot de belangrijke eigenschappen van het plasmascherm behoren de contrastverhouding en de lichtsterkte. De eerste heeft te maken met het vermogen om het verschil tussen donkere en lichte partijen goed weer te geven. De tweede bepaalt in welke mate de kijkruimte moet worden verduisterd om weergegeven beelden goed te kunnen waarnemen.
Plasmaschermen kunnen net als CRT-schermen inbranden. Dit is in feite slijtage van de fosforlaag in de plasmacellen. Bij een langdurige ongelijke belasting kan dit te zien zijn. Bijvoorbeeld het permanent aanwezige logo van televisiezenders. Oudere plasmaschermen waren hier erg gevoelig voor en heeft plasmaschermen een slechte naam bezorgd. Er waren dan ook voorzieningen om het zichtbare effect van inbranden te herstellen. Bijvoorbeeld door een "white wash" functie die door het tonen van een felwit beeld de slijtage gelijktrekt. Tegenwoordig is dit probleem beter onder controle en zijn er merken die niet eens meer een herstelfunctie hebben. De gevoeligheid voor inbranden lijkt per merk erg te verschillen.
Bij een gemiddeld gebruik van 6 uur per dag bedraagt de levensduur 27 jaar. Criterium voor de levensduur is het moment waarop de helderheid gehalveerd zal zijn. Deze levensduur is vergelijkbaar met die van lcd-schermen.